donderdag 14 december 2006

GEWONE DAG:

Lizan had met moeite haar ogen geopend. Het schelle geluid van de digitale wekker maakte dat zij uit een droomloze slaap wakker werd. Met dichtgekoekte ogen vond ze op de tast haar wekker en gaf er een hengst tegenaan. De ellende was alleen dat de wekker op de grond viel en vrolijk doortetterde met het bijna hippe gebliep-bliep-bliep dat je bij sommige dance feestjes hoorde.
Ze leunde kreunend over de rand van haar bed en voelde met haar vingers waar de wekker lag. Bijna. Bijna had ze het kreng te pakken. Toen ze meer grip had duwde ze de wekker uit. Rust. Zucht.
Met een plof lag ze weer in het dikke kussen dat mooie woorden liet schemeren door haar verwarde, gewaaierde haar.
"Het beste van voor jaren dringt vanavond tot mij door. Al je gewone vragen vinden weer gehoor. Regent het. Ja het regent. Goede nacht.
Laten we nu gaan slapen, zeg je zacht."
Gerrit Achterberg kon er wat van.
Vandaag was het... Vandaag was het.. Ze wist niet meer wat voor een dag vandaag was. Ze bekeek het plafond. Ze bekeek het raam. Het gordijnenstof liet een flauwe lichtstreep zien van een auto die op de parkeerplaats zijn auto wegzette. Langzaam droop het licht af. De ochtend was nog jong.
Vandaag was het, dacht ze, donderdag. En vandaag, nu wist ze het opeens, moest ze naar een begrafenis. Ze wreef met haar knokkels in haar ogen. Het deed pijn; het opgedroogde pus dat uit haar ogen gesijpeld had terwijl ze sliep. Ze voelde dat haar ogen ook dik waren. Van het huilen. Uren had ze vannacht gehuild. Gejankt. Als een klein kind dat een enorme valpartij had meegemaakt. En nu met een knie dat helemaal open lag en bloedde, de plotselinge viezigheid in de open huid voelde prikken en daarom niet langer meer verdriet de baas kon zijn.
Ze had zakdoeken vol gesnoten. Gejankt. Gesnoten. Gejammerd. Gezucht. Opnieuw gejankt. Soms was het zodanig pijnlijk dat niets meer te stoppen was. Kon ze de jankpijn tot in de bloedvaten van haar hart voelen.
Ze was wakker op een ordinaire zomaar-donderdag. Het was zo stom; haar beste vriend was dood en iedereen ging gewoon werken. Alles leek voor anderen door te gaan, terwijl zij niet eens meer wist welke dag het vandaag was. Het had vrijdag kunnen zijn. Maar ook vorige week.
Leeg. Ze lag in haar warme bed en had het koud. Ze lag op haar gedichtenkussen en voelde niets. Alsof ze gisteren en vannacht alles eruit gejankt had. Wat had het voor zin om haar ene been over de rand te leggen en op te staan? In haar belevenis stond tijd stil. Hoe kon haar tijd stilstaan als de rest van de wereld verder leefde in een monotoom ritme van de dag. Elke dag. Dezelfde dag. Alle dagen die komen zouden.
Vandaag was het donderdag. Vandaag was het koud, guur en zonloos. Vandaag moest ze naar een begrafenis. Vandaag nam zij afscheid van haar beste vriend.
"Dag Tim." fluisterde ze in de vroege ochtend.
Als je nacht net als dag is,
is de dag net zo helder als de nacht
en zal de nacht voor eeuwig overgaan in dag.

Geen opmerkingen: