1979, waar ik rillend van angst aan de kant stond van een instructiebad en met m'n lijf wel in het bad wilde springen maar m'n hoofd weigerde, omdat ik het water te eng vond, te bodemloos die diepte, en de badmeester schreeuwend in m'n oor en wilde gebaren maakte maar ik als vanzelf zijn woorden en octaven uit m'n hoofd wegveegde omdat ik daar weg wilde, heel snel.
'Spring dan!' riep de badmeester in m'n oor. Er gingen zware trillingen door mijn lijf. De tranen rolden, vermengd met chloorwater, over mijn wangen. Toen voelde ik een enorme stuwkracht, van een sterke, duwende hand op mijn rillerige rug, waardoor ik geen weg meer terug zag. De diepte voor me steeds dichterbij kwam. Het klotsen van water om me heen hoorde. Het water me omsloot als een draaiende, verwarrende sluier waar ik onmogelijk uitkwam. Ik bewoog mijn armen. Voelde de sluier zwaarder om me heen. Het trok me naar beneden, naar de diepte, waar ik niet wilde zijn.
Later stond ik in een douchehokje. Armen voor mijn borst met hoofd naar beneden te rillen. Volgens mij waren mijn tranen op. De kinderen renden vrolijk in en uit het douchehokje, droogden hun kleine lijven en pakten hun kleren. Terwijl ik daar wilde blijven staan. Misschien stond ik daar ook al een tijdje want papa kwam me halen.
'Ik wil niet meer naar zwemles.' wist ik eruit te krijgen. Met mijn keel zo droog en mijn stem zo zwaar. Ik voelde dat ik hier niet veilig was. Hier wilde ik weg.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten