zondag 28 januari 2007

VOORBIJ KOUDE DEEL 2:

Middenin de nacht, toen hij op zijn eigen helft lag, gevouwen op zijn zij, maakte zij zich los uit een wirwar van haren en wreef over haar wangen, voorhoofd en knipperde met haar ogen voordat ze de neonverlichting vaag zag schijnen in het donker. De wekker sloeg net een minuutje over. Het was drie uur drie-en-dertig.
In de vage duisternis hoorde zij langzame, licht bedwelmende zacht uitgesproken woorden. Een murmering van losse woorden; gemompel in de nacht.
Ze spitste haar oren, keek achterom en luisterde. Hij sprak in zijn slaap dolende woorden. Onsamenhangend en bijna onverstaanbaar.
Niet helemaal onverstaanbaar. Hij noemde een naam. Meerdere malen noemde hij een naam. Als in een hunkering. Als in een troosteloze afscheid. Hij leek te smeken. Te vragen. "Anne?" fluisterde hij.
"Anne."
Met een zucht legde zij haar hoofd weer op een wang, duwde ze haar dekbed strak om zich heen en sloot haar ogen. Liet tranen over haar neus op het laken vallen. En zij huilde.
Want Anne was niet haar naam.

Geen opmerkingen: