dinsdag 29 juli 2008

the silent trip.

27 juli 2008, Beijing China.

Sinds ik hier ben bestaat geluid niet meer. Geluid bestaat alleen als ik het wil; het toelaat.
Er is genoeg geluid hoor, al het verkeer; auto's, bussen, mensen, taxi's, bellende mensen, roepende mensen. Het ruist geluid, de hele dag. Ook in een local restaurant waar de meeste mensen in grote groepen aan een ronde tafel zitten waar ze hard lachen en praten is er stilte. Om mij heen.
Zelfs in een taxi waar de chauffeur al rochelend een fluim zijn keel in stuwt en dan het raampje opendraait om het goedje weg te spugen. Het raampje weer dichtdraait en vervolgens luid toeterend zijn voorganger op zijn donder geeft.
Er zijn overvloeden aan geluiden in Beijing. En ik sta in downtown Beijing, op een vroege vochtige avond, in een beginnende duister, en kijk om me heen. Ik hoor niets. Het is stil.

Ik was in een grote boekwinkel. Het telde wel zeven verdiepingen. Er zaten mensen op de grond tegen de muur te lezen. Mensen liepen om elkaar heen. Mensen praatten. Er was veel geluid. Omdat het zo enorm druk was. Ik kocht een boek over de chinese tekenkunst. Ik stond rustig te wachten in de rij maar het geluid verstomde. Mensen bewogen met hun mond maar ik hoorde geen stemmen.

De tijd was verdwenen. De dagen waren weg. De seconden en de minuten? Foetsie. Het deed er ook niet meer toe. Er was rust. Vanbinnen. In mijn hoofd. In mijn hart. Ik dacht nergens aan. Als dat leegmaken was, wat zij bedoelden, dan was ik leeg. Op een goede manier. Het voelde verlichtend. Vrij. Alsof er zich een gecontinueerde meditatie van me meester maakte. Ik stond in de rij bij de kassa en ik wachtte. Geduldig. Dat was het moment.

En ik zag hartjes. Zelfs op plekken waar ik ze onmogelijk bedacht zou kunnen hebben ze te vinden. Op de drempel van de ingang van de Verboden Stad, keek ik even naar beneden om niet te struikelen en zag links van me, naast mijn sportschoenen, een hart. Platgewalst door vreemdelingen. Of ik zag een hart in een raamvenster, zo groot als ik niet voorstellen kon, om de hoek van de straat.

Ik voelde de sereniteit bij de Lamatempel, Confucius en de Fayuan. Met de aanstekelijke oude chineze muziek en de geur van wierook. Bij Fayuan knikten de monniken terwijl ze me passeerden. Hun lange oudgele gewaden, hun zo goed als kale koppen. De stoffen sandalen. De vriendelijkheid in hun ogen. Ik bevond me in kaalmansland. Dat was misschien hetzelfde als een kind in de Efteling zetten, of het land van ooit. Er is een verschil tussen kaal en kalend. Het expres kaalscheren van het hoofd heeft me altijd gefascineerd. Ooit schreef ik er al een stukje over; het blijft me aantrekken. Als iemand zijn haar kaalscheert doet hij het af. Dat beschermende, dat wij haardragers zo graag willen behouden, is bij hen verdwenen. Kaal is niet voor niets een synoniem voor naakt, onbekleed. Het is wat het is...


En de enorme boeddha's. De kralen in hun hand. Of een schaal. De dikke buik vooruit. Altijd lachend. De monniken hielpen anderen bij de gebeden. Zonder al teveel gepraat hielden zij hun armen omhoog, bogen naar voren, drie keer, en knielden vervolgens op een kniebankje. Legden hun wierookstokjes voor hen neer, stonden op en knikten eenmaal diep voordat zij weggingen. Ik zag een oudere vrouw bidden. Ze maakte me deelgenoot van haar bidritueel. Ik nam gepaste afstand, liet haar gang gaan, en was in stilte ontroerd.

Ik beklom de chinese muur. Terwijl het vierendertig graden was op een dinsdagochtend, beklom ik de chinese muur. En ik voelde me voldaan. De stenen waren ongelijk; de ene veel hoger dan de ander, er leek geen eind aan te komen, en in feite kwam er ook geen eind aan, maar op een van de hoogste toppen zag ik een overweldigend uitzicht. En het was stil daar. Zo stil.

Er was een avond waar ik naar het theater ging. Het verhaal van de opgroeiende Chun Yi, de Pure, die niet alleen het fysieke aspect leert van de kungfu monnik, maar ook leert om te gaan met verleidingen, goed en kwaad en integriteit. Om door te geven aan volgende generaties. Kungfu is een verdedigingssport, maar leek zo op modern ballet.

Binnen no-time leerde ik eten met chopsticks. Zelfs pinda's vervoerde ik naar mijn mond. Soms koude spinazie in een zoutzuur sausje, een andere keer weer warme broccoli in een heerlijke knoflooksaus. Terwijl er om me heen veel vlees gegeten werd, leek ik een vegetarier geworden. Komkommer in een soya-achtige dipje, rijst, noodles. Warme sla. Ja, warme sla. Omdat je dan beter digest. En natuurlijk thee. Veel thee. Chinezen eten snel, maar doordat zij kleine beetjes met die stokjes naar hun mond vervoeren, proeven ze wel beter wat zij eten. Proeven wat je eet is vaak, tussen het werk, hobbies en andere dingen die moeten, iets dat erbij inschiet. Proeven wat je eet vergt rust. Ik leerde proeven wat ik at.

Ik zou nog zoveel kunnen vertellen. Over één van de Olympische stadions, maar dat interesseerde me geen biet. De dierentuin, maar ik krijg zo vaak een naar gevoel in m'n buik als ik dieren in een gesloten iets aantref. Hoewel de panda om te knuffelen leek. De groep waarmee ik reisde. Die me liet zien dat ik inderdaad alles behalve een groepsmens ben. Ik kreeg het steeds benauwder van al die 'gezamenlijke afspraken' en 'is iedereen het ermee eens?' Nee, ik was het er soms niet mee eens. De laatste drie dagen besloot ik naar mijn gevoel te luisteren, naar dat hartje, die me steeds luider leek toe te roepen dat

ALS IK ME DAN ZO ROT VOELDE ALS IK MET DE GROEP WAS, IK, ZOALS HET EEN SOLIST BETAAMT, LEKKER ALLEEN MOEST GAAN GENIETEN VAN DIE WELVERDIENDE VAKANTIE. IK KWAM TOCH VOOR DE RUST? NIET DAN? NOU DAN?


De laatste dag liep ik rond in het enorme grote Jing Shan Park. Waar de oudere mensen heel gedisciplineerd aan de ochtendgymnastiek waren begonnen en koortjes luidkeels chinese liederen ten gehore brachten. Het bracht een eenwording met zich mee, iets dat me tranen in de ogen liet schijnen. Op één plek stonden misschien wel honderd mensen bijeen met op een groot blok een dirigent en allemaal zongen ze mee. Overal waar ik liep floten mensen op blokfluiten, speelden zij gitaar, dansten met elkaar of tekenden met water en een kwast op de grijze stenen. Een man, een reus van een man, leek helemaal in trance toen hij langzaam de tekens op de stenen plaatste en achteruit liep, niet op of omkeek om te zien of hij tegen andere mensen botste. Ik plaatste mezelf neer op een heuvel, haalde met een doekje het zweet van mijn nek en bekeek het uitzicht. Er was één ding dat ik miste terwijl ik hier was. De blauwe lucht. Er liepen mensen om me heen terwijl ik water dronk uit de fles en de wijdsheid van het uitzicht in me opnam. De geluiden verstomden weer. Het was verdwenen. Weg. Ik kon hier altijd blijven. Als ik dat wilde. Het was leeg in mijn hoofd. De dagen waren verdwenen, de tijd was weg. Nog nooit voelde ik me zo tevreden.

voor alle foto's: KLIK.

Geen opmerkingen: