vrijdag 8 februari 2008

IK SCHREEF DIT IN DE LUX,

net nadat ik mijn irisbonnen ingeleverd had bij Dekker & De Vegt, waar een mevrouw achter me in de rij stond heen en weer te drentelen, ongeduldig zuchtte en naar de man voor me brieste dat de tijd drong, ze waren al zo laat.

Ervoor nam ik een gedichtenbundel in m'n handen, twijfelde tussen Ingrid Jonker en Ingmar Heytze en deed een soort van ine-mine-mutte en Ingmar won.

Bij de Lux bestelde ik een grote koffie, kreeg ik bestek van een jonge ober met een trillend dienblad, dat nog heviger begon te trillen toen er een kleine jongen langsrende en hij zijn evenwicht bewaren moest tussen zijn eerste werkdag en zijn dienblad-blinde-vlek zoals vrachtwagenchauffeurs dat hebben met zijspiegels.

Met mijn roze pen dat toch nog blauw schreef krabbelde ik een dichtje dat clubsandwich heette:

Het was een flat
van een soort van oerbrood
drie verdiepingen
van donkere lagen.
Hoe moest ik nu,
hoe moest ik dit,
met mijn mes en vork
...

En leek mijn hand zinnen te gutsen, zoals zweet uit je porien kan gaan als je een trein wilde halen en heel heftig smeekte in je hoofd dat, net voordat je bij de deur zou staan, de deuren niet alsnog zouden sluiten.


In de lichtgele kamer,

met de groene gordijnen aan elke kant, stond ze voor het raam. Beneden klonken harde woorden, ze kon niet zo goed verstaan wat er gezegd werd. Broertje lag in zijn eigen slaapkamer te slapen. Ze kon de zachte klanken nog horen van het slaapliedje uit een box.

Op de stenen tegels in de huiskamer beneden klonken voetstappen. Heen en weer. Heen en weer. Gedrentel en gedraai. Snel. Langzamer. Stilte.

Een hoorbare bons.

Ze keek geschrokken uit het raam. Papa had net de voordeur gesloten en liep zonder jas weg.
Ze probeerde met haar neus tegen het raam beter te zien. Ze hoorde het starten van een auto. Er reed een witte achterkant de oprit af. De witte Peugeot draaide en reed weg.

Met haar Monchichi in haar ene arm staarde ze met bonkend hart naar het wazige raam. Door het uitademen van haar mond dicht tegen het koele raam had het kleine zichtbare wolkjes achtergelaten. Met een trillende vinger wreef ze het weg.

Tijd leek stil te staan en toch tikte de klok in haar kamer verder. Tik Tak. Tik tak. Wanneer kwam papa dan thuis? Waar ging papa naartoe? Waarom ging papa weg?

Beneden was het stil. Er klonken geen voetstappen op de stenen tegels. Het muziekje in de kamer van broertje was gestopt. Met kleine pasjes liep ze naar haar bed, sloeg het deken om zich heen en wachtte.

Geen opmerkingen: