woensdag 20 februari 2008

NADAT IK TWEE PEUTERS,

had weggehaald omdat ze op het raam aan het spugen waren, en hen beval zelf een doekje te pakken om het op te ruimen, terwijl ik nog net onderdrukte om snerend te vragen of ze dat thuis ook deden, riep N (3 jr) ineens uit het niets:

'Mijn opa is dood.'

'Oh. Was hij ziek?'

Er keken een paar peuters van achter auto's, boeken en klei naar N.

'Ja. Heel ziek. En nu is ie dood.'

'Waar is ie nou dan?' vroeg ik.

'In de lucht.'

'Ik vraag me weleens af wat al die dode opa's in de lucht doen.' vroeg ik aan haar en aan mezelf.

'Zwaaien natuurlijk!' riep N met beide handen uitgestoken.

Ja, dat was best een goed antwoord.

'Maar, wat is dood dan precies?' wilde ik van haar weten.

Ze dacht even na. De andere kinderen keken naar beneden. Misschien dachten zij ook na. Het was tenslotte best een pittig en niet alledaags onderwerp.

'Dan kan je je ogen niet meer opendoen.'

'En niet meer met je handen zo doen.' Ze bewoog haar handen en armen.

'Maar in de lucht kunnen ze wel zwaaien!' riep B (3,5 jr) ineens.

Geen opmerkingen: