zaterdag 16 februari 2008

TWEEDE KLAS MAVO, 1987,

zocht ik meestal een plekje achteraan in de hoek. Het meest veilige plekje. Met mijn schooltas met enorme hardcoverboeken vol met nieuwe leerstof, een verpletterd boterhamzakje met inhoud en een pennenetui sjokte ik van klas naar klas.
Als ik niet helemaal achterin kon zitten, zat ik meestal in de een na achterste rij, dus zo goed als achterin, en dan het liefst bij het raam.

De oproerkraaiers zaten meestal helemaal vooraan, om met grote passie de zoveelste leerkracht het bloed onder de nagels vandaan te halen. Waardoor halverwege een les degene met het meeste pestgedrag de klas uit werd gezet.

Mij hoorde je niet. Ik tekende op de zijkant van mijn schriftje, staarde uit het raam naar buiten of probeerde de les te volgen. Wat meestal maar tien minuten lukte. Mijn spanningsboog kletterde altijd erg snel weer in zijn oude houding terug.

Tweede klas, aardrijkskunde. Er moest een kaartje gekleurd. Een kaart van Nederland. De kleuren waren met betekenis op het grote bord gezet en meneer aardrijkskunde liep met zijn handen op zijn rug langs de tafels.
'Wat ben jij aan het doen?' vroeg hij ineens aan mij.
Ik keek verbaasd op.
'Ik kleur een kaartje.' vertelde ik hem rustig. Per slot van rekening was dat de opdracht. Er moest een kaartje gekleurd.
Maar meneer aardrijkskunde vond me brutaal.
'Eruit!'

Tweede klas, Frans.
Mondelinge overhoring. Ik had best goed geleerd. De avond ervoor zat ik aan de keukentafel en sprak alle woorden foutloos uit en de betekenis ervan was onthouden.
Mevrouw Frans keek van haar leesbril ver de klas in. Het werd stiller en stiller. Her en der werd er ongemakkelijk geschoven op houten stoelen.
'Karin, de vertaling van sinaasappel?'
'Orange.'
'Kersen?'
'Les Cerises.'
'Banaan?'
....
Ik wist het niet.
'Druif?'
....
Ik dacht na.
Ik wist het niet.
'Le Druuf?' probeerde ik.
Mevrouw Frans dacht dat ik een grapje maakte.
'Eruit!'

Bij economie had ik geen uitweg. De plaatsen waren door meneer economie zelf beslist. Ik zat in de een na achterste rij, naast Sieuwkoemarie, een Indisch/Surinaams meisje met enorm lang zwart haar maar wist helaas niets van economie.

Achter mij zaten Jut en Jul. Jut gooide piepkleine propjes in mijn haar, schopte tegen mijn stoel, brak mijn potloden en liet mijn tas verdwijnen. Ging voor me zitten, met zijn hoofd dicht tegen mijn hoofd, en zei dat ik lelijk was. Duwde me tegen muren, knipte in mijn schriftjes.
Op een dag, toen we net in de klas zaten, meneer economie zijn rug draaide en op het bord een ingewikkelde som ging schrijven, het krijt knarsend op het groene bord, kreeg ik een harde schop tegen mijn stoel waardoor mijn maag tegen de rand van de tafel ging.
In een vlaag van verstandsverbijstering draaide ik me, als in een wervelstorm om, pakte het uiteinde van zijn tafel om het met een rotsmak de rand, waar hij tegenaan geleund zat, in zijn maag te duwen. Hij riep heel hard 'Au!'
Hij vloekte ook een beetje.
Meneer economie draaide zich onthutst om.
'Wat gebeurt hier?'
Hij zag Jut ineengebogen achter zijn tafeltje met een gezicht van pijn.
'Karin!
Eruit!'

Dit keer liep ik met opgeheven hoofd de deur uit. Smeet hem zelfs met een ruk dicht. Waardoor de ramen in de kozijnen naschokten.

Geen opmerkingen: