WEGWERP:
Er stond een rare wagen midden op het fietspad. Met twee mannen erin. Mannen met oorbellen.
"Mag ik er even langs!" riep ze.
"Ja hoor lieverd, ga er maar langs."
Ze had even omgekeken toen ze langs fietste, omdat ze er van uit ging dat hij het dubbelzinnig bedoelde. Maar hij lachte niet.
Lieverd. Waarom hadden sommige mensen geen enkele moeite om koosnaampjes te uiten, terwijl die koosnaampjes, omdat ze zo vaak gebruikt werden, geen enkele lading meer dekten? Waarom kwam voor haar een koosnaampje vanuit haar tenen, vanuit heel haar hart en wezen, op het moment dat zij 'lieverd' uitte?
Terwijl de nevel op haar gezicht landde, terwijl zij fietsers omzeilde, bij een stoplicht wachtte en weer verder reed, bedacht ze dat haar ex vriendje, die lange slungel met een oude Opel Kadet, haar altijd pipeloentje noemde. Ze was verkikkerd op die oude Opel. Hij haalde haar dan op en gingen ze touren, naar Den Bosch en weer terug. Vond ze het beige leer geweldig aanvoelen vanonder haar handen. Schoof ze het raampje naar beneden terwijl ze de zomerwind op haar gelaat voelde.
Misschien had ze meer gegeven om die auto, de fascinatie voor de auto, de belangrijkheid van die auto en de sfeer om die auto heen, dan heel het vriendje zelf.
"Lieverd, je narcissen vallen zo uit je fietstas!" werd er opeens geroepen.
De rare wagen reed op de weg naast haar. De man met de oorbellen had het raampje naar beneden geschoven en wees naar haar fiets.
"Ohw. Dank!" riep ze verbaasd terug.
Wat een schattebout.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten