HERFSTIG:
Er zat een mevrouw op het bankje. Ze droeg een halflange jas en een sjaal. De sjaal wapperde hevig in de wind. Haar grijze haren kletsten in haar gezicht en toen ze haar mond opende om te hoesten floepten er haren in haar mond die ze er met moeite weer uit kreeg. De wind hielp niet mee.
Er stonden twee meiden op het station. Ze hadden het einde van hun mouwen over hun handen gedaan. Soms hinkten ze op een been en dan weer op de andere. Het was koud aan hun blote voeten gestoken in kleine gympen.
De regen kletterde tegen de ramen. De kinderen stonden met hun neus tegen de ruit. "Regen!" riep een kind. Hij wees met z'n vinger tegen de ruit naar buiten, waar de regen in snelle lijn naar beneden viel.
"De zonnebloemen krijgen nu water he?" vroeg een ouder kind. Er werd geknikt.
Onder de deken, in een huisbroek. Met de televisie aan. Zappend naar niets, want de zomer was begonnen. Het dikke boek met 347 bladzijdes was niet eens op de helft van de helft maar zoals het nu zo goed als herfstvakantie leek, was het boek erg snel uit.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten