LAGOS:
Het zand gleed langs haar vingers terug waar de rest lag. Een handjevol zand. Het stond voor alles dat je vast wilde houden en loslaten moest. Omdat het niet anders kon. Het leven leefde zich toch wel. Als een vlieger in de lucht. Met de windstroom mee; maar alle kanten op.
Tranen stonden in haar ogen toen ze de verte in keek waar een jong echtpaar een tas droeg terwijl het kleine mensje voorop liep, kinderbuikje recht vooruit en een verkoelend hoedje op zijn kleine hoofdje. Ze herinnerde zich het gevoel dat ze bij zich droeg van tere kinderhuid. Zacht en warm en zwitsalgeurig. De baby had zich met zijn knuistjes op haar borst gelegd en had zijn hoofdje in het holletje van haar nek gelegd om met opgetrokken beentjes te gaan doezelen, terwijl zij haar armen onder zijn billetjes hield en ermee heen en weer drentelde. Dat eindeloze rustige en vredige gevoel dat elk moment hetzelfde leek, stilstaand en helemaal volkomen gelukkig.
De kinderen groeiden en ouders verouderden. Vader was die ochtend wakker geworden en voelde zijn ene wang niet meer. Ook zijn ene hand leek gevoelloos. Hij had om zich heen gekeken en had tranen in zijn ogen gevoeld. Het ebde langzaam weg, dat enge verlammende gevoel, en zichzelf scheren lukte na een paar dagen weer.
Het leven zat vol ironie; net toen vader zijn leven herzag, beter wilde doen, ook voor zijn dochter, sloeg het in als een bom. Was het een waarschuwing van de tijd? Dat hij het leven moest nemen zoals het was; als los zand want loslaten moest toch?
Ze wreef de korrels van haar handen. Het geluid van de klotsende golven die uiteen spatten tegen de grote stenen maakte haar weer rustig van binnen. Er ontsnapte een lichte zucht uit haar longen. Tranen werden weggeknipperd. Zand in ontelbare korrels glipten langs haar vingers. Naar benee. Naar benee.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten