In de klas kregen we reken- en taallesjes waar je een voldoende, goed of onvoldoende voor kreeg. Of een cijfer. Voor taal hoefde ik niet in de zenuwen te zitten, ik had altijd een dikke voldoende tot goed.
Meneer Fransen zat meestal bovenop een bankje en haalde het stapeltje blaadjes tevoorschijn waardoor iedereen rechter ging zitten en de klas steeds stiller werd.
'Duncan. Een acht.'
'Mark. Een zeven.'
'Sybil. Een zes en een half.'
Als het om rekenen ging dook ik steeds verder in mijn stoel naar beneden. Wenste ik mezelf weg uit die klas waardoor ik daar ergens buiten was waar cijfers en voldoendes er niet toe deden. Waarom moest ik een cijfer zijn? Een dikke prima, een twijfelachtig of een slecht? Waarom stonden er ouders op het schoolplein in afwachting op het cijferrapport en moest die dikke prima gelden als een kroon op hun werk? Waarom was een oke tekening niet genoeg, een zes of een zeven? Waarom altijd meer? Waarom perfect? Ik hoopte op een lucht vol cijfers die ik weg kon blazen zodat cijfers er niet meer toe deden.
Ik wist toen al dat andere dingen, zoals lief zijn voor een ander, behulpzaam zijn, inzicht en talenten hebben net zo belangrijk waren. Ik wist toen al dat die krul door een lesje of die rode streep er niet zo heel veel toedeed. Daar hoefde geen dikke prima tegenop en zeker geen (hoog) cijfer.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten