Er waren zomeravonden waarbij de buurtkinderen in een clubje van vijf of zes aanbelden. En mijn vader of moeder opendeed en luisterden naar hun vraag en dan 'nee' knikten en zij weer sjokkend het paadje afliepen en heel even naar boven keken, waar ik met mijn neus tegen het raam stond, en ze even zwaaiden terwijl zij wegliepen naar het speelveld aan de overkant en ik binnenbleef.
Er stond een enorme grote boom aan de overkant. Precies op de plek waar ik op uitkeek. De boom veranderde telkens van kleur, van zomer naar herfst en winter en lente. Toen Pietje, onze gele kanarie, doodging, begroeven we Pietje onder de grote boom. Naast de goudvis en de hamster. Maar 's avonds spelen bij die grote boom, was out-of-the-question.
Er kwam een dag, dat ik wat spullen in een groene tas stopte, mijn tandenborstel en een koekje, en op school, tijdens het buiten spelen, vertelde aan mijn vriendinnen dat ik ging weglopen. Ik was het zat om nooit eens te mogen wat de anderen wel mochten. Als de schoolbel om half vier zou gaan, dan liep ik niet naar huis, maar naar .... gewoon heel ver weg!
En ik liep heel ver weg. Richting stad. Met een niet vastomvattend doel en al helemaal geen richting. In de verte hoorde ik mijn naam. 'Karin!' De toon werd iets scherper naarmate de stem dichterbij kwam. 'Kaaaariiinn!'
Mijn moeder nam me mee achterop haar fiets en foeterde onderweg. Uit boosheid maar ook van schrik. Of ik dat niet meer wilde doen! Potverdorie!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten