donderdag 8 mei 2008

EGOISME.

Er klonken volwassen klanken van buiten. Ik sjokte op m'n flipflops, gezicht vol in de zon, brief in mijn hand, langs al het prachtige groen. Op de hoek zaten oudere mensen buiten. Ik hoorde iemand van de leiding van het verzorgingshuis zingen.

'Daar bij die molen, die mooie molen.'

Er sloeg een sluier van mistroostigheid om me heen. Op het pad naar mij toe liep een vrouw achter een invalidewagen met daarin een grijsharige oudere vrouw. Haar ene hand in een plastic koker. Het zat raar gedraaid. Haar magere benen in een te donkere panty. Ze leunde voorover op de desk van de wagen. Witte gekreukelde blouse. Oude huid. Haar ogen mat en troebel blauw. Ze keek me, in het voorbijgaan, aan.

Wat zou ik doen? Tegen die tijd? Als het moest? Ik dacht aan een moeder van een kindje bij mij in de groep, die maandenlang zorgde voor haar doodzieke vader. Terminale kanker. Geen beterschap en geen vooruitzichten. Zij had geen broers en zussen, deed alles alleen. Uit liefde. Kindschap.

Vorige week bracht ik mijn vader een bezoekje. Hij was jarig die dag. Ik gaf hem een kaartje en geld. Dat had hij gevraagd. Hij wilde dolgraag spullen kopen voor het biljarten. Zijn ietwat kromme rug keek mij aan toen ik vanaf de bank naar hem keek.
Een moment schoot een nare gedachte door m'n hoofd.

Als je in mei maar geen gekke dingen gaat doen, pap. Dan was dat geld ook voor niets geweest.

Geen opmerkingen: