Toen ik vorige week, op het station, de collega van broer tegenkwam, en hij tegenover me plaatsnam en vertelde wat hij die middag in Nijmegen ging doen, vroeg hij wat ik ging doen.
Aangezien het toen al warm weer was en ik me opgesloten voelde thuis, mijn vriendinnen graag met partner wil(d)len zijn en broer moest werken, besloot ik een kaartje te kopen naar bestemming Waalkade met Boek.
Toen collega van broer knikte, even stil was, toen bedenkelijk keek, en ineens een zogenaamd euromuntje hoorde vallen, leunde hij voorover en sprak de griezelige woorden uit:
'Maar je gaat toch niet alleen?'
Tot mijn zesde jaar was ik altijd alleen. Ik speelde boven op mijn kamer, verkleedde me in (te) grote rokken, draaide rondjes zodat mijn rok ging waaien. Ik bond een lange sjaal om mijn hoofd zodat het net leek of ik lange haren had. Zwierde ik in de rondte. Zwieren. Zwieren.
Of luisterde ik naar de oude platenspeler van papa, die ik gekregen had toen ik op zolder tussen de rommel keek. Draaide ik oude platen van Elvis. Later kocht ik mijn eigen single. Cyndi Lauper met Time After Time. Ik danste in mijn kamer. Tekende er. Las boeken. Zong. Danste. Zwierde.
A, J en B zijn mijn goede, goede dinnen. B en andere J mijn maatjes. Ik zou niet zonder hen kunnen. Ze zijn de enige vrienden die langer bij me zijn gebleven dan de mensen die langzaam van me wegwaaiden. Door andere wegen, door strijd, door afstand.
Gisterenavond zei dingetje uit Grey's Anatomy, toen zij iemand sprak die net haar man verloren had en moest wachten of de partner van haar man het zou redden, dat het beter was iemand te hebben.
Iemand hebben.
Soms mis ik opeens, uit het niets, alsof diep weggestopt, die vertrouweling. Die arm. Die vriendschap. Die handen. Die aanwezigheid. Die gesprekken. Die aaibaarheid. Die iemand.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten