Ik zat te wachten.
Met een opborrelende onrust in mijn lijf.
Toen de telefoon ging wist ik meteen dat het raak was. Raak in dit geval was jas pakken, telefoon mee, sleutels en met een rotgang fietsen naar de plek des onheils, zoals in 2006, of in dit geval wachten op mijn broer, die me meenam in de auto.
Het is gek. Hoe je zonder emotie handelt. Weet te handelen. Sommige mensen raken in paniek. Daar had ik nooit last van. Het schakelde zichzelf als het ware uit waardoor handelen emotieloos gebeurde. We reden naar het park. Naar de flatgebouwen.
Om te zoeken.
Naar papa.
Toen we zochten en zochten niet vinden konden, in plotselinge uitputtendheid zwijgend naast elkaar in de auto zaten, ondertussen proberend om andere mogelijkheden te zoeken, mijn broer zachtjes richting uitrit reed, keek ik een laatste maal om.
Hij stond op de rand. Rug gebogen. Zonder het te beseffen trok ik de gordel los en gooide de deur open. Ik rende. Ik had nog nooit in mijn leven zo hard gerend.
Het is raar. Ik voelde mijn hart niet kloppen in mijn borstkas. Ik voelde mijn zware benen niet. Ik rende. Ik rende.
Maar de deur kon niet open. Ik sjorde en trok aan de deur.
Ik riep: 'Godverdomme!'
Er kwam een man aanlopen. Hij wist meteen wat ik wilde, en opende de deur van binnenuit. Ik rende de trappen op. Ondertussen belde ik de politie.
Het is vreemd. Wat je op dat moment precies aan juiste informatie mee moet delen aan mensen die je liever niet spreken wilt. Terwijl ik op de bovenste verdieping arriveerde en mijn vader op zijn rug zag zwalken, hevig schokkend met zijn schouders, huilend, wist ik dat ik nu rustig moest blijven.
Ik weet niet meer precies hoe het vanaf toen gebeurde. Ik weet alleen dat ik stapje voor stapje mijn vader van die richel af wilde zien gaan. En dat hij me aankeek maar hij niet zag wie ik was. En toen ineens weer wel. En niet begreep wat ik daar deed. En toen weer huilde. En zich omdraaide. En ik rustig bleef. Hem overhaalde te praten, in de foyer.
Niet daar.
Niet buiten.
Niet op de rand.
Ik weet nog dat ik politiemensen zag. Dat mijn papa daar agressief van werd. Dat hij niet inzag dat ze wilden helpen. Dat het trekken en sjorren werd. Dat ik mijn handen over mijn oren hield. Om het geluid van herrie te dempen. Dat ik mijn ogen dichtkneep. Om de beelden weg te drukken. Dat iemand bij me bleef. Dat alles zo snel ging.
Dat hij naar me omhoog keek, ik bovenaan de trap en hij bij de deur, in hevige boosheid.
En riep:
'Heb jij dat gedaan?'
Toen ik buiten kwam zag ik allemaal mensen. Mensen die ongerust waren, meeleefden. Maar genoeg mensen die af kwamen op sensatie. Toen twee jongens van een jaar of twaalf aan me vroegen wat er gebeurd was, op een manier die ik niet oprecht voelde klinken, schold ik hen verrot. Dat ze op moesten krassen.
Weg!
Oprotten!
Mijn vader had zijn meest kostbare bezittingen thuisgelaten. Zijn trouwring, zijn horloge, zijn paspoort lag ernaast. Soms nam hij alles mee. Ik had weleens nachtmerries dat ik thuis kwam en naar mijn slaapkamer liep en hem zag hangen boven mijn bed.
Want mei komt eraan. In mei leggen vogels hun ei. In mei maken mensen weleens een eind aan hun leven. Het is een ziekte. Depressie. Maar ga mij alsjeblieft niet vertellen dat ik begrip moet opbrengen voor mensen die rondlopen met zelfmoordgedachten. Want ik heb het niet. Ik ben dochter van.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten