'DE DEFINITIE VAN LITERATURELUUR IS,
in iedergeval geen Kluun', meende de lange man waarmee ik maanden geleden door de Amsterdamse straten wandelde. Wat het dan wel was, was een zeer moeilijke vraag.
Was literatuur dan de meest moeilijke, kromme, diepe en poëzie-achtige teksten bundelen en dat literatuur noemen? Was het de ellenlange woordenstroom van auteurs als Arnon Grunberg of hoe heet die (oudere) man met die pijp in z'n mond?
Was literatuur wat mensen snapten, zodat er kweet-niet-hoeveel boeken over de toonbank vlogen en met een lach en een traan gelezen werd? Was literatuur een op gang komende discussie na het lezen van het boek?
Was literatuur een zinvolle besteding? Moesten mensen het kunnen omzetten in hun eigen vertaling? Was het een mooie zinsbouw wat op meerdere manieren te vertalen was naar eigen gedachte? Was literatuur moeilijk? Makkelijk?
Wat was het nu eigenlijk?
Ik stond vanmorgen in een boekwinkel, op zoek naar een boek. Het boek dat ik zocht bleek er niet te zijn en ging ik met een kaart voor een pasgeboren baby van een collega naar huis. De kaart was netjes in een papieren zakje gedaan.
Op de voorkant stond:
'Goede literatuur bezit het vermogen om met andermans ogen te laten zien.'
Gerrit Komrij.
Gerrit en ik rusten onze zaak.
Dat is de flauwe vertaling van 'We rest our case.'
Geen opmerkingen:
Een reactie posten