OP DE GROTE, GROTE BERG,
zat een meisje. Ik zag haar zitten, knieen hoog tegen haar lijf aan gedrukt. Met haar armen in een wijde slobbertrui gehuld over haar onderbenen heen wiegde zij naar voor en naar achter. Als de wind niet harder gewaaid had, had ik haar de wind in haar gezicht willen zijn. Ze leek ontzettend verdrietig en alleen.
Mijn angst was dat de wind echter in haar rug duwde, richting spoor waar zo nu en dan de treinen voorbij raasden. Als de wind zo hard waaien kon, was zij een stap te dicht bij het spoor.
Waarover ben je zo verdrietig, vroeg ik me af. De dikke tranen over je koele wangen konden niets vertellen over de inhoud. De wapperende haren voor en langs je gezicht ook niet.
Als de berg zo hoog was, waarom klom je er dan op?
Als de wind in je rug stond, zou ik wensen dat de wind zijn weg vond ergens anders.
Op de grote, grote berg zat een meisje. Misschien was ze twaalf jaar oud. Haar gezicht verdween in het holletje van haar zelfgemaakte kuil dat haar armen en benen gemaakt hadden.
Soms zou ik wensen dat de wind geluk kon toveren.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten