DE ZWEEFVLIEGERAAR:
Hoog. Hoog boven de aarde zweefde ze. Bengelend aan een enorme vlieger. Soort van abseilen. Met haar armen boven zich, handen vastgeklemd aan een stang. Zo hoog. Enorm hoog. En ze zag de landen en de zeeen.
Daarna was ze bijna op aarde. Ze bengelde boven een veld. Een enorm veld met ver uitgestrekte tulpenlandschap. Geel.
En de zon scheen. Het was zomer. Licht. Helder.
Ze wiebelde een beetje boven het tulpenveld. De wind maakte dat ze heen en weer ging. Maar ze lachte. Ze lachte en was blij.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten