ONDERWEG:
Zo zag ze zichzelf in de weerspiegeling van een vieze ruit. Een weerspiegeling die haar meenam langs grazende koeien in voorbijsnellende weilanden. In een licht mistige morgen.
Ze had die nacht gedroomd, voor het eerst ze zich herinneren kon, in het zwart wit. Er sprak een jongedame tegen haar. Ze had blond lang haar en een uitdagende glimlach. En dat was precies wat ze deed. Uitdagen. Ze sprak maar ze kon haar niet verstaan. Niet dat ze een dialect had of een andere taal sprak, maar ze zag de volle lippen die bewogen maar het geluid stond uit. Ze zat op een draaistoel en wiebelde met haar zwarte schoenen heen en weer. Kijk mij dan. Ik daag je uit.
De reis die haar via Houten richting Den Bosch bracht liet haar herinneringen terugspoelen. De avond ervoor, de uitdaging in haar vragen, de ongemakkelijke manier waarop hij zijn ogen neersloeg - ik ben nu betrapt - liet haar nadenken. Hij had haar lief gevonden. Leuk. Mooi. Grappig. En zij knikte. Glimlachte. Voelde. Was trots. Had ze zich daarna uitermate gevleid moeten voelen of teneergeslagen? Ze wist het niet. Ze probeerde. Ze probeerde er het goede van in te zien. Ze zag zichzelf in de smerige ruit. Ongewassen. Opgedroogd zand. Ze zag haar glinsterende ogen. Haar donkere wenkbrauwen. Haar blozende wangen. Haar lichte gelaat. Haar mond.
De telefoon maakte een eind aan haar gemijmer.
"Hij vindt me leuk. Leuk genoeg om verstoppertje mee te spelen." legde ze vriendin uit.
"Er zijn meer haaien in de zee." grapte vriendin.
"Zal ik losbandig zijn?" ...
Misschien bedoelde het blonde meisje in het zwart wit iets met haar gewiebel op de draaistoel. Keek ze met haar grote onschuldige ogen net iets te lang haar richting uit om er de vraag in te vinden. Ik daag je uit. Ze had de droom uitgezet op het moment dat de trein het perron op reed. Ze moest uitstappen. Ze was onderweg naar huis.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten