Gisterenochtend, toen de kerk acht uur klonk en de eigenaren van de winkels heel langzaam in hun eigen tempo de deuren openden en de stoelen buiten zetten, liep ik op kinderkopjes over het bruggetje richting nieuwbouw.
Jij liep daar ook. Je baard grijs, geel en lang. Je jas vaal en vol gaten. Rafelig en oud. Je had diepe groeven in je gelaat, maar je was behoorlijk gebruind door de lentezon. Je sjokte een beetje langs me heen. Blik op oneindig, ergens daar voorbij. Ik had bijna de neiging om te kijken om ook te vinden wat je daar zag.
Je droeg je blote voeten in een paar badstoffen slippers. Van die slippers die je gratis krijgt als je voor het eerst je hotelkamer binnenstapt en je rondkijkt naar al dat moois en je naast je bed slippers ziet liggen, heldere witte, en een kaartje op het kussen: 'welkom.'
Je slippers waren grijs en zwart en gerafeld en je ene hak was al verdwenen. Je sjokte op versleten badstoffen hotelslippers richting het Delftse centrum en je schim raakte uit mijn gezichtsveld.
's Middags wandelde ik met kinderwagen door het centrum, langs de kerk, langs Amerikaanse en Spaanse toeristen toen ik voorbij een viskraam een man op een bankje zag zitten.
Je zat te peuzelen van een restje haring uit een smerig zakje dat net voor je voeten geworpen was, per ongeluk naast de prullenbak in plaats van netjes erin. Je blote elende voeten op vieze kinderkopjes. Ik wilde je nieuwe schoenen geven.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten