Het voelde alsof ik wilde schreeuwen maar niemand sloeg er acht op. Omdat niemand er acht op sloeg, leek mijn stem te vervagen in de ruimte. Als kleine zeepbellen die plotseling uit elkaar barstten. Het gevoel dat ik had leek op bonken op een deur die toch nooit openging.
Het was alsof de momenten langs me heen gingen. Klasgenoten wandelden en kletsten en liepen langs mij heen door lange gangen. Lange gangen waar ik in kon verdrinken. Ik wist niet waarheen ik moest. Het voelde alsof ik me in een doolhof bevond waarbij niemand me hielp, me alleen maar schaapachtig aankeek, lachte en vervolgens doorliep. Alsof ik in een slechte film beland was, waarin alles achterstevoren liep.
Ik bevond me in de aula waar ik mijn rugzak op de grond gezet had. Mijn rugzak was veel te zwaar. Het droeg boeken en praktijkboeken met schriften en ringbanden die ik het liefst in de dichtsbijzijnde container wilde gooien. De aula was leeg en hol. De zitkuil smerig met achtergelaten lunches en blikjes drank. Ingedeukte witte plastic bekers waaruit chocomel lekte.
De concierge gaf mij een bezem. Ik nam het aan maar bleef staan. Met licht opgetrokken wenkbrauw keek hij me aan. ' Het is wel de bedoeling dat je nu gaat vegen.' Het was straf. Straf die ik blijkbaar verdiend had. Ook al zoiets. Het was onterechte straf. Ik had die straf niet verdiend. Maar ik kon zeepbellen schreeuwen wat ik wilde. Bonken op deuren die toch nooit open zouden gaan. Niemand sloeg acht op wat ik wilde zeggen. Uitleggen.
Niemand.
Maar ik verroerde me niet. Hield de bezem in mijn handen en keek de concierge aan. Hij zuchtte geirriteerd en liep weg. Ik bleef achter in een stille aula. Rugzak aan mijn voet. Bezem in de hand.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten