ALS IK EEN BLAADJE VOOR ME KREEG,
dan waren soms de sommen zoek. Vlogen alle cijfertjes als mini balletlessen door elkaar heen. Wat betekende de zes ook alweer als je het met vijf vermengde? Moest een en zeventig eerst met de zeven en dan de een? Als iets een gulden vijftig kostte, en ik gaf een briefje van vijf, hoeveel kreeg ik dan terug? Precies?
Ik zie mezelf zitten in de lagere schoolklas. Met de meneer die altijd relaxt bovenop de tafel plaatsnam en het stapeltje blaadjes bij zich pakte. En we wisten, ik wist, dat de hoge cijfers bovenop lagen. De tien voor Koen. Een acht misschien voor Duncan en Kees. De zeventjes voor Sandra, Sylvia en Inez.
Ik hoopte op een zes. Nee. Ik droomde van een zes. Een zes. De zes betekende voldoende. Dat het voldoende was. Vol-doende.
De namen werden genoemd. Mijn naam leek altijd te verdwijnen in een mist van ontelbare cijfercombinaties die ik niet eens meer zien en horen kon. Dan wilde ik mijn hoofd buigen en me schamen. Wilde ik voldoende zijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten